De gerechtelijke procedures moeten in een redelijke tijd worden voltooid

De gerechtelijke procedures moeten in een redelijke tijd worden voltooid.

Supreme Arrest van het Hof III ZR 376/12 van 14. November 2013 – Ontoereikende duur van de procedures

GVG § 198 Abs. 1, Abs. 2, Abs. 6 Nee.. 1, § 201 Abs. 4

een) Of de duur van de gerechtelijke procedure onredelijk in de zin van § 198 Abs. 1 Zin 1 GVG ist, afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval.

b) Ongepast in de zin van § 198 Abs. 1 Zin 1 GVG is de duur van de procedure dan, als een bepaalde van de kenmerken van § 198 Abs. 1 Zin 2 GVG uitgelijnd en het oordeel van de rechtbank opgemerkt bij Verfahrensfüh-ment wegen en balanceren resultaten van alle relevante omstandigheden van het individuele geval, de soort. 2 Abs. 1 i.V.m. Kunst. 20 Abs. 3 GG en soort. 19 Abs. 4 GG sowie Art. 6 Abs. 1 EVRM volgende verplichting van de Staat, Een gerechtelijke procedure in een redelijke tijd te brengen in beslag, is gewond.

c) Bij de beoordeling van het gedrag van de rechter van het grondwettelijk beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid must (Kunst. 97 Abs. 1 GG) niet worden genegeerd. De rechter moet in alle gevallen adequate voorbereiding- en verwerkingstijd zijn beschikbaar. Het moet een beoordelingsmarge, waardoor het, rekening te houden met de omvang en de ernst van de individuele Rechtssa-chen evenwichtig wetsvoorstel en beslissen, als het kan bevorderen wel verschillende regelingen tegen welke kosten zinvol is en wat de procedure is verplicht.

BGH, Arrest van 14. November 2013 – III ZR 376/12 – Oberlandesgericht Celle

 

- 2 –

De III. Civil Division van het Federale Hof gedateerd op de mondelinge behandeling 14. November 2013 door de vice-president slib en de rechters Wöstmann, Seiter, Dr. Remmert en ruiter

hierbij:

De herziening van de eiser tegen het arrest van het 23. Civil Division van het Hof van Celle Oberlandesgericht uit 24. Oktober 2012 verworpen.

In hoger beroep door de verdachte naar het oordeel van kosten en tot nu toe wordt geannuleerd, dan is erkend ten nadele van de verdachte.

In het kader van de ontheffing, het ding is voor een nieuwe hoorzitting en beslissing, Ook over de kosten van de audit wet-trein, terugverwezen naar het Hof van Beroep.

Rechtens

Feiten

Verzoekster tegen de respondent land heeft recht op vergoeding van immateriële nadelen voor de buitensporig lange duur van de strafzaak tegen hem aanspraken.

1 – 3 -

In een run tegen andere beschuldigd onderzoek door het openbaar ministerie H. de aanvrager was de 4. Juli 2007 gehoord als getuige staatsanwaltschaftlich op de vraag, wanneer hij een bepaalde deskundige adviezen had gemaakt over de leeftijd passende huisvesting. De onderzoeksrechter aanklager zei in een nota van 24. Oktober 2007 de “dringenden Ver-dacht”, dat de aanvrager de waarheid niet vertellen, en riep op tot deze ene Bundeszentralregister extract. Daarnaast leidde hij, dat de aanvrager op 28. November 2007 werd ondervraagd als getuige en rechter beëdigd. Of hij is geïnformeerd bij deze gelegenheid aan de zijde van de onderzoeksrechter nationaliteit advocaat, dat wordt onderzocht tegen hem voor meineed, wordt betwist tussen de partijen.

Op 4. November 2009 de aanvrager is officieel geregistreerd als verdachte van een bepaling van de procedure op verdenking van poging tot belemmering van de rechtsgang en meineed en het Tatvorwürfen behoort. Op 5. Februari-ruar 2010 verhoogde de officier van justitie voor de rechtbank H. . Nadat verzoekster bij brief van 9. April 2010 gaf een uitgebreide ontvankelijk gezongen en het parket op dit 29. April 2010 Had genomen positie, toegepast voor de verdediger bij brief van 12. Meer 2010 de toekenning van een (ander) Het invoeren van een periode tot eind juni 2010. Het wordt aangekondigde verklaring van de raadsman was niet. In opdracht van 23. Juni 2011, sindsdien van kracht 1. Juli 2011, verwierp de rechtbank, de aanvang van de terechtzitting van. In de aanvrager op 1. September 2011 Gange-ties gerechtelijke brief geleverd, werd hij geïnformeerd over de inwerkingtreding van het besluit tot niet-opening.

2

3 – 4 -

4

5

6

7

Het Oberlandesgericht heeft de respondent land veroordeeld onder de rest ontslaan, aan de klager een immateriële vergoeding voor over-duur van de procedure in het bedrag van 3.000 € vermeerderd met rente verschuldigd. Terzelfder tijd heeft toegestaan ​​herziening “vanwege het fundamentele belang met betrekking tot de eisen aan de bewijslast van de eiser in het strafproces en de vraag, of en in welke mate fouten van de wetshandhavingsinstanties het bedrag van de schadevergoeding kan van invloed zijn op”.

Tegen deze uitspraak, de aantrekkingskracht van beide partijen zullen. De eiser door zijn revisie nagestreefd om de betaling van een billijke vergoeding van tenminste 4.000 € gerichte actie om verdere. De verdachte wil herziening en (met identieke inhoud) Incidentele hogere voorziening, de volledige verwerping van het beroep.

Redenen

De herziening van de aanvrager ongegrond is. De herziening van de verdachte, leidt echter tot de gedeeltelijke intrekking van het arrest en lingerie, de zaak naar het Hof van Beroep terug.

Ik.

De herzieningen zijn toegestaan. – 5 -

8

9

10

In het dictum van het bestreden goedkeuring herzien zonder beperking werd uitgesproken. De redenen voor dit besluit kan niet worden genomen met de nodige duidelijkheid en nauwkeurigheid, dat het Oberlandesgericht staan ​​slechts beperkte herziening, vooral wilde de eiser de gelegenheid om het vonnis te beoordelen geven (VGL. BGH, Arresten 8. Meer 2012 – XI ZR 261/10, NJW 2012, 2446 Rn. 6; van 26. September 2012 – IV ZR 108/12, VersR 2013, 120 Rn. 7 en van 19. April 2013 – De ZR 113/12, NJW 2013, 1948 Rn. 10). De rest zouden krijgen (extra) eingeleg-th incidenteel beroep ook aan het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting controleren ten nadele van de verdachte, als je wilde een beperking van de statutaire machtiging te verwijderen voor een individuele rechtzoekende de redenen.

II.

Het Hof van Beroep heeft in ondersteuning van zijn beslissing in wezen:

De periode voor de beoordeling, of de run tegen de eiser strafzaak buitensporig lang was geweest, Uitstrekken van november 2007 tot 1. September 2011 (Aankondiging van het optreden van de rechtskracht van het besluit van 23. Juni 2011). De beoordeling van de vast-switching openbaar aanklager in de nota van 24. Oktober 2007, het aan de “sterk vermoeden” een onware verklaring voor, en het feit, dat het politiebureau hebben een uittreksel uit het centraal register Bondsrepubliek wordt aangevraagd, zou tot, dat verzoekster behandeld vanaf dan uit na een verdachte. Sinds de gerechtelijke getuigen genvernehmung uit 28. November 2007, in zijn veronderstelde Unwahrhei– 6 -

tien werden bewaard in zijn getuigenis en nadat hij was beëdigd op verzoek van de officier van justitie aanwezig, had hij te veronderstellen, dat hij werd behandeld als een verdachte in een onderzoek. Onderzoekshandelingen waren vanaf november 2007 vóór de formele registratie als verdachte in november 2009 niet gedaan. De procedure was niet meer dan twee jaar geëxploiteerd, zodat de aanvrager ten minste 24 Maanden vergoeding onder § 198 Abs. 1 i.V.m. § 199 GVG recht. Na aanklacht had vanaf juni 2010 is geen merkbare dures meer bevorderen. Het werd Gesteld noch herkenbaar, waarom de – Echter, vrij uitgebreid – Procedure was bijna een jaar niet verwerkt met het doel van een besluit over de aanvang van de terechtzitting. Of was dit een periode van zes maanden moet zo onredelijk duur van de procedures vertraagd worden beschouwd. Immers, dat naar voren komt in het kader van de algehele beoordeling tot slot om een ​​verantwoorde einde te worden gemaakt door de autoriteiten van de respondent staat vertraging van twee jaar en zes maanden. Op basis van het normale tarief van de vergoeding voor de morele nadelen van 1.200 € per jaar van vertraging (§ 198 Abs. 2 Zin 3 GVG) staan ​​de eiser een schadevergoeding ten bedrage van 3.000 € zu. Dit bedrag wordt niet beschouwd, onder de omstandigheden van het individuele geval oneerlijk te zijn (§ 198 Abs. 2 Zin 4 GVG). Verwijtbare schendingen van de wetshandhavingsinstanties met de voorschriften van het Wetboek van Strafvordering – de aanvrager is ondanks de bestaande aanvankelijke verdenking en in tegenstelling tot § 62 Wetboek van Strafvordering werd gezworen om een ​​waarheidsgetrouwe verklaring te verkrijgen – rechtvaardigen th in ieder geval meestal geen afwijking van de in § 198 Abs. 2 Zin 3 GVG aangeboden pakket. – 7 -

III. De herziening van de verweerder

11

12

De herziening van de gedaagde succesvol is. Het leidt tot de annulering van de eerste beslissing en voorlopige hechtenis de zaak naar het Hof van Beroep, heeft tot nu toe voor gekozen om ten nadele van de verdachte land.

1. Nauwkeurig en niet betwist door de herziening gaat het Oberlandesgericht aangenomen, dat de procedurele en materiële bepalingen van § § 198-201 GVG na de overgangsbepaling van het soort. 23 Zin 1 van de wet op de rechtsbescherming over lange gerechtelijke procedures en strafrechtelijke onderzoeken (ÜGRG) van 24. November 2011 (Blad. I S. 2302) gevonden op het geschil toepassing. Dan gelden deze jaarlijkse vertaald of processen, die bij de inwerkingtreding ervan op 3. December 2011 (gemäß Art. 24 ÜGRG) reeds in behandeling waren, en voor afgeronde procedures, de duur van de inwerkingtreding ervan op het onderwerp van hangende klachten bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (beneden: EVRM) is of kan nog. Deze voorwaarden is voldaan. De lang door de eiser gerespecteerd als ongepast strafzaak bij besluit van de rechtbank is vastgesteld 23. Juni 2011, sindsdien van kracht 1. Juli 2011, beëindigd en de ÜGRG werd dus afgesloten bij de inwerkingtreding. De zes maanden, te beginnen met de bekendmaking van de definitieve nationale beslissing deadline voor een individuele klacht bij het EVRM op het type. 35 Abs. 1 EVRM was op het moment van inwerkingtreding van de nieuwe compensatie wet niet is verstreken. De duur van de procedure zou dus nog steeds het onderwerp van een klacht bij het EVRM. Een beller-tie van het EVRM niet verplicht waren (Kissel / Mayer, GVG, 7. Ed, § 198 Rn. 57).

- 8 –

13

14

15

16

Door de 17. Februari 2012 ingediend en de 3. April 2012 fed-set toepassing, de uiterste datum van de kunst. 23 Zin 6 ÜGRG (3. Juni 2012) onderhouden.

2. Het advies van het Hof van Beroep, dat bij de beoordeling van de geschiktheid van de methode Un-duur in de zin van § 198 Abs. 1 Zin 1 i.V.m. § 199 GVG ook de periode overwegen van november 2007 bis november 2009 was einzu-gerelateerde, ontmoette grondige bezwaren.

een) Met een heel foutieve redenering, heeft het Hof aangenomen, dat de eiser, aangezien de 24. Oktober 2007, de datum van fabricage van de goedkeuring van de officier van justitie, “als Beschuldigter behandelt wor-den” was.

aa) Onder § 198 Abs. 1 Zin 1 GVG is voldoende gecompenseerd, die lijden aan een nadeel als gevolg van onvoldoende duur van rechtszaken als methode par-ligter. In termen van tijd, het concept van een gerechtelijke procedure geregistreerd volgens de wettelijke definitie in § 198 Abs. 6 Nee.. 1 GVG alle methoden rensstadien van initiatie tot de eindconclusie. De term “Introductie” betekende dat alle vormen, waarbij een proces wordt gestart, ongeacht, of dit of op verzoek of beroep wordt ingesteld, zoals in strafprocedures, gebeurt op eigen initiatief (BT druk. 17/3802 S. 22; Ott in Steinbeiß-Winkelmann/Ott, Herstel wegens buitensporig lange gerechtelijke procedures, § 198 GVG Rn. 51, 53 en § 199 GVG Rn. 6; Kissel / Mayer Aao § 198 Rn. 7). § 199 Abs. 1 GVG breidt de wettelijke bescherming van buitensporig lange duur van de procedure op de strafrechtelijke onderzoeken. Dit wordt geïnitieerd, Zodra de vervolging (§ 160 Abs. 1 Wetboek van Strafvordering) of een instantie of een officier van de politie (§ 163 Wetboek van Strafvordering) een maatregel neemt, het schijnbare feit – 9 -

doelstellingen, verder strafrechtelijk tegen iemand (Meyer-Gossner, Wetboek van Strafvordering, 56. Ed, Einl. Rn. 60). In dit geval, de verdachte is het een, worden gevoerd tegen de politie of gerechtelijke onderzoeken op verdenking van misdaden strafbaar met eren actie. Het pand verdachten kan slechts worden gerechtvaardigd door een handeling van de bevoegde wetshandhavingsautoriteit, die regelmatig in de formele instelling van de justitiële. Goed maar ook, indien tegen de betrokkene constructieve maatregelen, die het doel erkend, om hem te veroordelen als de dader van een misdrijf (HK Wetboek van Strafvordering-incher, 5. Ed, § 157 Rn. 1 en § 160 Rn. 6; KK-Gries boom, Wetboek van Strafvordering, 7. Ed, § 160 Rn. 14; Meyer-Gossner Aao Rn. 76).

17

18

bb) Door deze standaard is op het bestand tegen de eiser voor het eerst met de officier van justitie van de beschikbare 4. November 2009 een onderzoekende procedure is ingeleid op verdenking van poging tot belemmering van de rechtsgang en van de My-Eed. Op dit moment werd hij geregistreerd als verdachte formeel en vervolgens geraadpleegd over de Tatvorwürfen. Daartegenover staat dat in de (louter) Goedkeuring van de eiser, als getuigen worden gehoord door de officier van justitie 24. Oktober 2007, was de “sterk vermoeden” un-ware informatie, worden niet als een formele opening van een onderzoek beschouwd, vooral in de nasleep geen actie werd ondernomen, gericht herkenbaar op, de aanvrager van een strafbaar feit te veroordelen. Het enkele vereiste van een federale strafregister extract kan worden beschouwd als slechts een dergelijke maatregel verzoek, aan de eiser bepalen van een rechter als getuige horen.

b) Echter, de beslissing van het Oberlandesgericht bewijst zelfs onder een ander aspect van een onjuiste rechtsopvatting.

- 10 –

19

20

21

aa) In strafzaken begint, overeenkomstig § 198 Abs. 1 GVG periode worden beoordeeld voor de verdachte niet reeds met de invoering van een onderzoeksprocedure, maar – de formele invoering regelmatig hieronder – serieus alleen met de opening van de beschuldiging of de persoon met een slopende onderzoeksmaatregel (BT druk. 17/3802 S. 24; Kissel/ Mayer aaO § 198 Rn. 13; Ott AAO § 199 GVG Rn. 6; VGL. Grondwettelijk Hof ook, NJW 1993, 3254, 3256; Meyer-Ladewig, EMRK, 3. Ed, Kunst. 6 Rn. 196 aan elk. 6 Abs. 1 Zin 1 EMRK).

bb) In tegenstelling tot het advies van het Hof van beroep heeft verzoekster had dus, omdat verondersteld Un-waarheden zijn verklaring dat hij werd aangehouden in het kader van haar onderzoek van getuigen, en hij werd beëdigd op verzoek van de officier van justitie, niet aannemen, dat hij nu zou worden behandeld als een werkende persoon die wordt gezocht voor proef in een onderzoek; fortiori hierin mag niet “officiële kennisgeving” worden gezien de inleiding van een strafrechtelijk onderzoek.

Voor Voorziening is gebruikelijk Vernehmungsbehelfe, die als enige verantwoordelijk voor het testen van de geloofwaardigheid en vernieuw het geheugen van getuigen van belang (Meyer-Gossner Aao § 69 Rn. 7). Onder § 59 Abs. 1 Wetboek van Strafvordering kan de beëdiging worden uitgevoerd, als wordt aangenomen door de rechter onder wiens discretie te wijten aan het grote belang van de verklaring of over een ware uitspraak voor nodig om te brengen. De bij de aanvraag voor noch vloeken, noch de eedaflegging zelfs de (implicatie) Bericht of zelfs een indicatie, dat tegen de getuige vanwege de specifieke verdacht van een strafbaar feit wordt bepaald. Dit is dus anders worden beoordeeld, want buiten de hoofdtribune proef in het voorbereidingsproces, de beëdiging van een getuige alleen wanneer – 11 -

Aanwezigheid van andere – op dit moment niet gegeven – Vereisten (Dreigend gevaar; verwacht dat het voorkomen van de verschijning in de belangrijkste proefbehandeling, VGL. § 62 Wetboek van Strafvordering) toegestaan. Het feit, dat het onderzoek van een getuige in strijd strafprocesrecht optreedt, kan niet leiden tot een verandering van de strekking van dit proces,, dat de hoorzitting is om nu te worden beoordeeld als een maatregel tegen een verdachte.

22

23

24

Dat de eiser door een andere concrete maatregel van de vervolging, genomen vanwege een verdenking tegen hem, ernstig aangetast was (bijv.. Bevelschrift, Arresteren, Durchsuchungs- of het laden van inbeslagneming arrangement), heeft niet gevonden het Hof van Beroep.

c) De verdachte heeft het argument van de eiser, in verband met het gerechtelijk onderzoek 28. November 2007 het was geïnformeerd door de vast-switching Attorney, tegen hem Ermittlungsverfah-tie wordt gevoerd op verdenking van meineed, ontkend. Aangezien het Oberlandesgericht, de juistheid van die beweringen – dat zou kunnen zijn, zowel voor de opening van een onderzoek en voor de openbaring van de inleiding van belang – uitdrukkelijk opengelaten, is in de revisie-rechterlijke toetsing in het voordeel van de herziening van de verweerder in Ar-len, dat de officier van justitie een dergelijke verklaring niet heeft gedaan.

3. Voor zover het hof aangenomen, dat de beslissing van de rechtbank over de aanvang van de terechtzitting (§§ 199 ff StPO) uitgesteld met zes maanden werd aangenomen, beschouwt dit juridisch onderzoek ook niet gestaan, want voor deze uitspraak is essentieel omstandigheden ondoordachte zijn gebleven. – 12 -

25

26

een) Of de duur van de gerechtelijke procedure onredelijk in de zin van § 198 Abs. 1 Zin 1 GVG ist, afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval, vooral na de moeilijkheid en het belang van het proces en het gedrag van de partijen en derden. § 198 Abs. 1 Zin 2 GVG identificeert de omstandigheden, die bijzonder belangrijk zijn voor het evalueren van de geschiktheid zijn, voorbeeld (“vooral”) en zonder een trailing karakter (BT druk. 17/3702 S. 18). Een ander belangrijk criterium voor de beoordeling van de 'redelijke termijn' is het proces beheer door de rechtbank, het in aanmerking nemen van de rechtbanken te krijgen-het werkterrein van de in § 198 Abs. 1 Zin 2 GVG genoemde criteria moeten worden vastgesteld op grond (VGL. BVerwG, Beslissingen in elk geval uit 11. Juli 2013 – 5 C 23.12 D, BeckRS 2013, 55758 Rn. 40 f und 5 C 27.12 D, BeckRS 2013, 56027 Rn. 32 f; Ott AAO § 198 GVG Rn. 128).

Een algemene definitie, wanneer een proces duurt een onevenredig lang, is niet mogelijk en zou op de diversiteit van de procedures en procedurele situaties vallen in het gebied van de algemene bevoegdheid. Met de beslissing van de wetgever, dat de geschiktheid van de duur van de procedures in de omstandigheden van het individuele geval, hangt (§ 198 Abs. 1 Zin 2 GVG), werd bewust afgezien van de invoering van bepaalde limieten voor de duur van de verschillende soorten processen. De focus op het individuele geval, blijkt uit de bewoordingen van de wet, wordt bevestigd door de wetsgeschiedenis (om Steinbeiss-Winkelmann ibid introductie Rn. 236 ff) en voldoet aan de wettelijke materialen duidelijk tot uitdrukking gebrachte wil van de wetgever (BT druk. 17/3802 S. 18). De afwezigheid van algemeen geldende tijdlijnen sluit het regelmatig, de redelijkheid van de termijn uitsluitend op basis van statistische – 13 -

Gemiddelde waarden te bepalen (VGL. BVerwG AAO 5 C 23.12 D Rn. 28 ff und 5 C 27/12 D Rn. 20 ff; zie ook BSG, Arrest van 21. Februari 2013 – B 10 Ug 1/12 KL, juris Rn. 25 ff aan het speciale geval van de methode van de niet-goedkeuring van de symptomen na de SGG: statistische cijfers als “nuttig schaal”). Evenmin is een bewijs criterium bij de beoordeling van, dat een bepaald proces tijd genomen voor zichzelf, zonder nader onderzoek zou moeten worden aangemerkt als ongepast (VGL. Ott AAO § 198 GVG Rn. 88).

27

28

Vaste tijd specificaties kunnen ook de rechtspraak van het EHRM op Art. 6 Abs. 1 Zin 1 EVRM worden niet genomen (zie ook het overzicht in Meyer-Ladewig ibid soort. 6 Rn. 199 ff, insbesondere Rn. 207 f). Het Federale Constitutionele Hof heeft geen vaste termijnen vast en beoordeelt de vraag, vanaf het moment dat een proces duurt een onevenredig lang, altijd afhankelijk van de specifieke omstandigheden van elk geval (VGL. Grondwettelijk Hof, NJW 1997, 2811, 2812; Besluit van 22. Augustus 2013 – 1 BvR 1067/12, juris Rn. 30, 32 BZN).

b) Ongepast in de zin van § 198 Abs. 1 Zin 1 GVG is de procedurele vertraging dan, als een bepaalde van de kenmerken van § 198 Abs. 1 Zin 2 GVG uitgelijnd en het oordeel van de rechtbank opgemerkt bij procescontrole wegen en balanceren resultaten van alle relevante omstandigheden van het individuele geval, de soort. 2 Abs. 1 i.V.m. Kunst. 20 Abs. 3 GG en soort. 19 Abs. 4 GG sowie Art. 6 Abs. 1 EVRM volgende verplichting van de Staat, Een gerechtelijke procedure in een redelijke tijd te brengen in beslag, is gewond (VGL. BVerwG AAO 5 C 23.12 D Rn. 37 en 5 C 27.12 D Rn. 29).

- 14 –

29

30

31

De onbepaalde juridische begrip “onredelijke duur van gerechtelijke procedures” (§ 198 Abs. 1 Zin 1 GVG) en vult kenmerken in de zin van § 198 Abs. 1 Zin 2 GVG moeten worden gekwalificeerd door toevlucht te nemen tot de principes, door het EHRM te typen. 6 Abs. 1 Zin 1 EVRM en het Federale Constitutionele Hof over het recht op effectieve rechtsbescherming (Kunst. 19 Abs. 4 GG) en Justitie garantie (Kunst. 2 Abs. 1 i.V.m. Kunst. 20 Abs. 3 GG) hebben ontwikkeld, vooral omdat dit vaste rechtspraak aan de wetgever in de tekst versie van § 198 Abs. 1 GVG gemodelleerd Dien-te (VGL. BT druk. 17/3802 S. 18; BVerwG AAO 5 C 23.12 D Rn. 38 en 5 C 27.12 D Rn. 30).

Referentiepunt voor de beoordeling van de deugdelijkheid dan maßgebli-cher periode, de totale duur van de procedure, als § 198 Abs. 6 Nee.. 1 GVG de-boete (VGL. Ott AAO § 198 GVG Rn. 78). Dit heeft tot gevolg, dat vertragingen, die zich in een stadium van de procedure of in individueel proces secties, niet per se over de ontoereikendheid van de duur procedure brengen. Het is eerder als onderdeel van de uiteindelijke Ge-samtabwägung controleren, indien de vertragingen gecompenseerd in een later stadium van de procedure (VGL. BVerwG AAO 5 C 23.12 D Rn. 44; Ott AAO § 198 GVG Rn. 79, 100 f). Hier ge verondersteld in het oog, dat de taak van het Hof, duurzaam aan een promotie en beëindiging van de procedure te zoeken, verdicht met toenemende vertraging van de procedure te (VGL. alleen uitspraak van de Senaat 4. November 2010 – III ZR 32/10, BGHZ 187, 286 Rn. 11 BZN).

Als gevolg van de bevestiging van het wettelijk recht op een vergoeding in overeenstemming met § 198 GVG conventies om de schade- en grondwettelijke normen (Kunst. 6 Abs. 1 EMRK, Kunst. 2 Abs. 1 i.V.m. Kunst. 20 Abs. 3 GG en soort. 19 – 15 -

Abs. 4 GG) wordt duidelijk gemaakt, dat de stress veroorzaakt door de lengte van de procedure een zekere omvang moet bereiken. Het is geen afwijking van een optimale wijze van beheer. In plaats daarvan moet de duur van de procedure een grens overschrijden, die niet langer gerechtvaardigd zijn, rekening houdend met compensatie juridische belangen van de betrokken persoon feitelijk zijn of onevenredig vertegenwoordigt (VGL. Grondwettelijk Hof, NVwZ 2013, 789, 791 f; BVerwG AAO 5 C 23.12 D Rn. 39 en 5 C 27.12 D Rn. 31; zie ook BSG loc. 26: “aanzienlijk hoger dan de buitenste grens van het redelijke”).

32

33

c) Zoals reeds gezegd, is een belangrijk criterium voor de beoordeling van de redelijkheid van de duur van gerechtelijke procedures, de uitvoering van processen door de rechtbank. Onderzocht moet worden, of vertragingen, in verband met de procedure rensführung verwante, objectief gerechtvaardigd is in het licht van de rechtbank kan de discretionaire bevoegdheid aannemen. Het kan niet los worden gezien van de procesbesturing. Je moet veel meer in § worden 198 Abs. 1 Zin 2 GVG genoemde criteria zijn vastgesteld op basis van. Beslissend, of de rechter recht in verband met die gezichts punten heeft voldaan aan de eisen van een redelijke termijn in ieder geval gerechtvaardigd wijze, de uitgang rechtbank het pand- volgens hem vooraf kan beoordelen en juridische (VGL. BVerwG AAO 5 C 23.12 D Rn. 41 en 5 C 27.12 D Rn. 33).

Bij de beoordeling van het gedrag van de rechter van het staatsrecht beginsel van rechterlijke onafhankelijkheid must (Kunst. 97 Abs. 1 GG) niet blijven un-overwogen. Zoals de snelle afwikkeling van een rechtszaak is niet een doel op zich en van de rechtsstaat, het beginsel van de volledige feitelijke en juridische beoordeling van het geschil door deze beru-

- 16 –

vereist Fene rechter (Divisie beslissing van 4. November 2010 loc. 14), moet de rechter in alle gevallen adequate voorbereiding- en verwerkingstijd zijn beschikbaar. Het moet een beoordelingsmarge, waardoor het, rekening te houden met de omvang en de ernst van de individuele Rechtssa-chen evenwichtig wetsvoorstel en beslissen, wanneer het het gemak waarmee de werkwijze zinvol en welke procedurele stappen bevorderen moeten. Alleen wanneer de procedure renslaufzeit in evenwicht met de andere criteria bedoeld in § 198 Abs. 1 Zin 2 GVG objectief niet langer te rechtvaardigen, zelfs rekening houdend met dat discretie, een onredelijke duur van de procedure voor (VGL. Divisie beslissing van 4. November 2010 loc. 14; BSG AAO Rn. 27; BVerwG AAO 5 C 23.12 D Rn. 42 en 5 C 27.12 D Rn. 34; Ott AAO § 198 GVG Rn. 81, 127 f; Stahnecker, Compensatie voor extra lange gerechtelijke procedures, Rn. 97).

34

d) De herziening van procesmanagement in de output proces is in principe voor de rechter, beslist over de actie schadevergoeding. In de subsumptie van de onder het onbepaalde juridische begrip redelijkheid van de termijn vastgestelde feiten, het verslag Revisionsge de tatrichterlichen discretie respecteren en beperkt is in zijn controle uitvoert, of verkeerd begrepen het wettelijk kader, Zijn geschonden denkwetten of algemene empirische proposities en of alle in aanmerking genomen bij de beoordeling in wezen omstandigheden en adequaat gewogen (VGL. Divisie beslissing van 4. November 2010 loc. 18; Musielak / Bal, ZPO, 10. Ed, § 546 Rn. 12). – 17 -

35

36

37

Als tegenprestatie voor deze standaard van beoordeling, en de eerder erörter ste principes, het advies van het Hof van Beroep bewijst, de ge-richtliche procedure had sinds juni 2010 al zes maanden ongepast vertraagd, als een onjuiste rechtsopvatting, als de rechter, als het beroep op rechts-anstandet zijn, niet alle balanceren besluit overeenkomstig § 198 Abs. 1 GVG heeft erkend de relevante omstandigheden.

Het hof van beroep is beperkt tot de bepaling, dat sinds juni 2010 een belangrijke promotie methoden zijn niet gehouden en de inhoud methode bestaat in hoofdzaak uit twee verzoeken van de aanvrager op 27. Und september 31. Oktober 2010 en een (rechterlijk) Memo van februari 2011 er, nabij de plaats, dat het invoeren van een eiser zal niet meer plaatsvinden. In het op de eigenschappen van § 198 Abs. 1 Zin 2 GVG uitgelijnd wegen en afwegen van alle essentiële omstandigheden van het individuele geval, echter, zou het Hof van beroep in – rekening houdend met de juridische draagwijdte van de actie – moeten nog meer aspecten omvatten.

aa) Het ontbreekt een meer gedetailleerde bespreking van de moeilijkheid van de procedure, waardoor name de, dat zij een bovengemiddelde mate voor een amtsgerichtli verschillende regelingen (vijf delen van documenten en vier in sommige gevallen zeer uitgebreid themanummers), een even brede parallelle procedures tegen derden (Ja: 5524 Js 46572/07) werd geëvalueerd en het besluit over de aanvang van de terechtzitting noodzakelijk een complexe bewijs evalueren talrijke indicaties. – 18 -

38

39

40

bb) Wat het gedrag van de eiser, de rechter zou hebben gehad bij de behandeling te nemen, dat bij brief van 2. Februari 2011 de (onjuist) De indruk ontstaan, zijn raadsman betreft van kracht voor meer informatie, in een (ander) schriftelijk advies zou dan worden verwerkt. Het feit dat de strafzaak de eiser, met name in per-soonlijke en professionele termen onevenredig zwaar worden belast, is niet duidelijk. Zoals de rechtbank heeft er in de opening negatieve beslissing in, was de aanvankelijke verdenking van een strafbaar feit terecht; Het Hof had alleen twijfels over de veroordeling waarschijnlijkheid in de zin van § 203 Wetboek van Strafvordering. Als de aanvrager de bedreigde verlies van het medische ruzie met verwijzing naar de gedragscode voor artsen, op toverspreuk en flauw zinnen waren beperkt zijn opmerkingen.

cc) Tenslotte blijft er onbesproken, dat de rechtbank, zoals blijkt uit de door het Oberlandesgericht de geciteerde verwijzen naar de resultaten van de hiervoor genoemde pa-rallelverfahrens 5524 Js 46572/07 heeft niet objectionably <Atn> tet, de schriftelijke motivering van het vonnis van de rechtbank Hi. van 15. Februari 2011, waaruit essentieel waren overwegingen in het voordeel van de eiser, in haar eigen evaluatie van het bewijsmateriaal op te nemen.

4. De herziening van de verdachte daarvan leidt tot de intrekking van het bestreden arrest, heeft tot nu toe voor gekozen om ten nadele van de verdachte. In het kader van de ontheffing, wordt de zaak terugverwezen naar het Hof van Beroep voor de nieuwe onderhandelingen en besluitvorming. Gebrek besluitvormingsfase is niet mogelijk de Senaat zijn eigen besluit (§ 563 Abs. 1 Zin 1, Abs. 3, § 562 Abs. 1 ZPO). – 19 -

41

42

43

Voor de verdere procedure, de Senaat maakt de volgende: Geldt in het compensatie-proces – zoals elders in het burgerlijk procesrecht – de Beibringungs-principe. De vergoeding eiser moet de feiten reciteren en, zo nodig, te bewijzen, redenen waarom zij meent een onredelijke duur van het hoofdgeding. Het is irrelevant, of het nu in het hoofdgeding is een civiele rechtszaak of een criminele. Niet anders dan de officiële aansprakelijkheid proces, dient de aanvrager de specifieke rechterlijke handelen of nalaten te noemen, die een vermijdbare vertraging had het geschil het gevolg is van zijn standpunt. Een loutere verwijzing naar de stukken van het dossier is niet voldoende voor een overtuigende actie naar voren uit. In de rechtbank organisatorische tekortkomingen en tekorten, evenals andere omstandigheden, die op het gebied van Justitie liggen en buiten het zicht van de eiser, Daarentegen wordt gemaakt door de rechtbank administratie behoefte aan uitleg (VGL. BT- Druk. 17/3802 S. 25; Kissel/ Mayer aaO § 198 Rn. 39; Ott AAO § 198 GVG Rn. 244; zie ook het arrest van de Senaat 11. Januari 2007 – III ZR 302/05, BGHZ 170, 260 Rn. 22).

IV. De herziening van de eiser

Het beroep is ongegrond. Het bestreden arrest houdt de aanvallen van de herziening was.

1. Voor zover het verzoekster, het Hof van Beroep had bij de beoordeling van de onredelijke duur van de procedure in de periode van eind april 2010 tot 1. September 2011 onderliggende moet zetten, toont de herziening geen geval op, die zouden moeten inhuren extra ten nadele van de verdachte land in de finale Ge-samtabwägung met het resultaat, dat de – 20 -

Hof van Beroep op het reeds een periode van zes maanden tot een vertraging in de procedure van nog eens tien maanden gevestigd zou zijn verplicht. Ongeacht, is hoe de duur van het onderzoek schatten, omvat de beoordeling van het Hof van Beroep in overeenstemming met artikel III. 3 d aspecten aangetoond dat er geen schending van het recht ten nadele van de eiser.

44

45

46

Sinds de beslissing van de rechtbank van 23. Juni 2011 de 1. Juli 2011 was formeel wettelijk, was de daaropvolgende periode tot 1. Septem-ber 2011 (De klager geïnformeerd over de toelating van gewijsde) irrelevant voor de vraag van de schadevergoeding toch (§ 198 Abs. 6 Nee.. 1 GVG).

2. Zonder succes blijft het bezwaar van de eiser, Het hof zou de regelset voor de beoordeling van de vergoeding voor morele nadelen hebben (§ 198 Abs. 2 Zin 3 GVG) in overeenstemming met § 198 Abs. 2 Zin 4 GVG um 50 % moeten toenemen.

§ 198 Abs. 2 Zin 3 GVG biedt voor de beoordeling van het bedrag van de vergoeding voor immateriële nadelen van een forfaitaire vergoeding van 1.200 € voor elk jaar vertraging voordat. Als dit bedrag is gebaseerd op de omstandigheden van het individuele geval onredelijk, de rechter kan een hoger of lager bedrag vast te stellen (§ 198 Abs. 2 Zin 4 GVG). Met de flat rate, af te zien van ieder-een zaak verband bewijsmateriaal moet een geschil over het bedrag van de schadevergoeding, die een extra last voor de rechtbanken zou betekenen, vermeden. Tegelijkertijd is dit zorgt voor een snelle afhandeling van schadeclaims in het belang van de betrokkenen (Stahnecker AAO Rn. 146; VGL. BT ook druk. 17/3802 S. 20). Met het oog op een procedureel-

- 21 –

vereenvoudiging bevorderen van de wetgevende doelstelling wordt gehouden de rechter alleen onder bijzondere omstandigheden, van de genormaliseerde flat rate van low-keitserwägungen (§ 198 Abs. 2 Zin 4 GVG) vertrekken. Dit is met name te denken aan gevallen, waar de vertraging voor de voortzetting van een vrije-vrijheidsstraf of een ernstige schending van de privacy heeft geleid (VGL. Taverne, NVwZ 2012, 257, 262; Stahnecker AAO Rn. 148; zie ook supra § Ott 198 GVG Rn. 227 ae). Dergelijke omstandigheden maken de herziening is niet verzonden. Je bent niet anders duidelijk. De dreiging van het verlies in de medische examen-tie goedkeuring wordt gemaakt door de eiser zonder redelijke werkelijke achtergrond in de kamer.

47

Indien de aanvrager van mening is, verwijtbare procedurefouten van de wetshandhavingsinstanties (hier: in verband met zijn beëdiging) een verhoging van de standaardhoeveelheid rechtvaardigen, hij kan een onjuiste rechtsopvatting niet identificeren. De wetgever wordt aangenomen, dat § 198 GVG een “staat aansprakelijkheidsrecht vordering sui generis” normiert, ter compensatie voor de nadelen, de “door de duur van de procedure” veroorzaakt op het gebied van verantwoordelijkheid van niet-opgenomen entiteit (BT druk. 17/3802 S. 19). Grondslag van de aansprakelijkheid voor de compensatie claim-oorzaak onnodige duur van de procedure is alleen de schending van het recht van een partij in een procedure over het besluit van een rechtszaak binnen een redelijke termijn (VGL. BSG AAO Rn. 25). Op de vraag, of de rechter of een ander lid van de rechtsbedeling heeft gehandeld in strijd met recht of verwijtbare, komt – in tegenstelling tot de burgerlijke aansprakelijkheid – niet (VGL. BT druk. 17/3802 S. 19; Ott AAO § 198 GVG Rn. 3, 95, 126). Dienovereenkomstig – 22 -

in het kader van het eigen vermogen besluit overeenkomstig § 198 Abs. 2 Zin 4 GVG niet al dus een afwijking van de set in het voordeel van de betrokken geboren th person regel, omdat de bevoegde autoriteiten en rechtbanken worden ondermijnd verdere procedurele fout in aanvulling op de Verfahrensverzö-vertraging.

48

49

50

Hieruit volgt dat de beslissing van het Oberlandesgericht, van de controle hoeveelheid § 198 Abs. 2 Zin 3 GVG niet afwijken, verging geen onjuiste rechtsopvatting.

3. In tegenstelling tot de bewering van de klager is het niet bezwaarlijk door de wet, dat het Hof van Beroep de eiser een deel van de kosten die overeenstemmen met de lager gelegen quotum op grond van § 92 Abs. 1 Zin 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft opgelegd.

De kosten worden gemaakt in de compensatie-proces in principe in overeenstemming met § 201 Abs. 2 Zin 1 GVG i.V.m. §§ 91 ff ZPO. Wanneer een vergoeding te eisen, maar niet of niet bestaat in het gevorderde bedrag, maar toch in overeenstemming met § 198 Abs. 4 GVG vinden van een ongeschikte-sende lengte van de procedure in het dictum van het arrest, beslist de vergoeding rechter naar eigen goeddunken op kosten (VGL. Althammer / Schäuble, NJW 2012, 1, 6; Ott AAO § 201 GVG Rn. 26 f; Stahnecker AAO Rn. 180). Zo'n speciale constellatie is hier niet het geval, omdat het Hof van Beroep, hoewel bekroond met de aanvrager een lagere vergoeding dan gevraagd, Echter, geen enkele bepaling in § 198 Abs. 4 GVG heeft uitgesproken. Billijke grondslag in overeenstemming met § 201 Abs. 4 GVG, als ze huurt de herziening, werden dus niet ver-veroorzaakt.

- 23 –

De herziening van de eiser immers ontslagen.

Lagere rechtbank:

OLG Celle, Besluit van 24.10.2012 – 23 SchH 3/12 -

Gelieve Beoordeel

Voor meer informatie: