een) Fundamenteel, niet alleen het instellen van verboden, maar ook overeenkomsten tussen ondernemers, niet voor werknemers pocheren, juridisch afdwingbaar slot overeenkomsten in de zin van § 75f HGB.

b) Een dergelijke benadering, maar niet onder de werkingssfeer van § 75f HGB vallen, indien zij slechts bijkomstig bepalingen van de overeenkomst en rekening te houden met bijzondere vertrouwensrelatie tussen de partijen of een bijzondere bescherming verleend meagerness van de twee partijen.

c) Een tussen twee bedrijven in termen van een gezamenlijke distributie ver-afgesproken doelstelling relatiebeding wordt in beginsel niet meer bedragen dan een periode van twee jaar na beëindiging van de samenwerking.

ARREST BGH I ZR 245/12 van 30. April 2014 – Abwerbeverbot

HGB § 75f; Burgerlijk Wetboek § 339

BGH, Arrest van 30. April 2014 – I ZR 245/12 – OLG Hamburg
LG Hamburg
– 2 –
De I. Civil Division van het Federale Hof van de mondelinge onderhandelingen 30. April 2014 door de rechters Prof. Dr. Büscher, Pokrant, Dr. Cook, Dr. Löffler en de rechter Dr. Schwonke
hierbij:
Op hoger beroep van de verdachte, het arrest van het Hof van Hamburg Oberlandesgericht – 5. Civil Division van het 31. Oktober 2012 kostenoogpunt en ver verwijderd, dan is erkend ten nadele van de verdachte.
Het beroep van verzoekster tegen de beslissing van de rechtbank van Hamburg, Civiele kamer 7, van 29. Juni 2010 als geheel-afgewezen.
De aanvrager draagt ​​de kosten van de hogere voorziening.
Rechtens
Feiten:
De partijen die actief zijn in de sector van de bedrijfsvoertuigen die oorspronkelijk behoorden tot dezelfde groep van bedrijven, naar een derde bedrijf in 2004 de zakelijke belangen van de verdachte verkregen. Om de gezamenlijke distributie van hun Fahrzeu-ge blijven, opgenomen in de ruimtelijke nabijheid-
1
– 3 –
ingezetenen partijen op 19. Augustus 2005 een samenwerkingsovereenkomst. § Dessen 12 Abs. 1 is:
“Elke partij komt overeen, tijdens en tot drie jaar na beëindiging van deze overeenkomst een werknemer van de andere partij ERS reclame direct of indirect. Voor elk geval, een inbreuk op de bepaling in de eerste zin 1 betaalt het schenden partij aan de andere partij een boete van twee jaar salaris bruto (Inclusief. Premies, Royalties) van de betrokken werknemer, de schending van de verplichting uit hoofde van veroordelen 1 worden gerekruteerd door de betrokken partij, waarin de berekening van de boete, het bruto jaarsalaris van de werknemer is aanzienlijk, die hij in het jaar ontving voorafgaand aan de verbeurdverklaring straf.”
Verweerder beëindigd de samenwerkingsovereenkomst voor 31. December 2006.
Im augustus 2009 twee verklaarde bij de aanvrager werkzaam verkopers regelmatige beëindiging van hun arbeidsovereenkomst te 30. September 2009 en verminderde de 1. Oktober 2009 dienstverband met de verdachte op.
De aanvrager heeft beweerd, de toenmalige directeur van de verdachte hebben de twee medewerkers veroorzaakt door werving inspanningen opgevoerd om hun on-positie relaties veranderen. Ze heeft door de verweerder als gevolg van de Mess-kung van twee sancties voor de betaling van 383.770,52 € nebst Zinsen ver-langt.
Verweerder betoogde, de contractuele relatiebeding werd gesuggereerd, zodat de potentieel verbeurde boetes zijn niet afdwingbaar.
De rechtbank heeft het beroep verworpen. Op hoger beroep van de aanvragers-rin, het Hof van Beroep, de verdachte met uitzondering van een deel van de gevorderde rente
2
3
4
5
6
– 4 –
overeenstemming met de aanvraag veroordeeld. Met de toestemming van het Hof van Beroep voor revisie-on, hun afwijzing vordert verzoekster, verweerster ontleent de How-Breed format van de actie van afstotende dat arrest.
Redenen:
Ik. Dit Hof heeft, de verdachte had elke contractuele boetes voor een bedrag van twee maal de laatst betaalde jaarlijkse brutoloon verbeurd voor de stroperij van de twee medewerkers van de aanvrager. Hiertoe het is uitgevoerd:
De eiser kan de sancties in de rechtbank af te dwingen, zoals overeengekomen tussen de partijen, niet-verzoek onder de bepalingen van § 75f HGB was geen barrière-clausule, in de zin van deze bepaling. Nagestreefd door het verstrekken bescherming van de werknemer tegen onredelijke straffen op het profes-chen vooruitgang niet bevelen hun overeenkomstige toepassing op de omstreden clausule van de samenwerkingsovereenkomst van de partijen. Zoals vertragswid-motorige verzoek in de zin van de contractuele overeenkomst had niet elk gedrag van een aannemer om te kijken naar al, die op enigerlei wijze zal derhalve tot gevolg, dat een werknemer van een partij richtte een nieuwe werkrelatie met de andere partij. De overeenkomst werd alleen maar betekent To Hide-duivin, dat ten minste een selectief, werd Initiativen die op de werknemers met het doel vereiste, Start-ver deze zijn baan te veranderen om. Daarom is het niet verzet tegen een verandering-bereid werknemers vrij, bij een werkgever, het onderworpen aan een niet-uitnodiging, zich toeleggen. De contractuele relatiebeding was niet in overeenstemming met § 138 BGB immoreel. De par-bestanden waren ontvangen wederzijdse verplichtingen, in het belang van-
7
8
– 5 –
de partijen had gelegen. Een tijdelijke verkorting van de niet-uitnodiging voor een periode van twee jaar na beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst niet gerechtvaardigd was.
Volgens het resultaat van de tweede instantie uitgevoerd Beweisaufnah-mij staan ​​er vast van overtuigd het Hof van Beroep, dat de twee-time voormalig werknemer van de aanvrager van de gedelegeerd bestuurder van de verdachte abgewor-ben geweest. Tegen de hoogte van de verbeurde boetes de verweerder geen bezwaar heeft; voor de geschiktheid anders spreken, dat de aanvrager is gebonden aan de contractuele boetes versterkt relatiebeding.
II. De acties tegen deze aanvallen de beoordeling van de herziening succes. Ze leiden tot de annulering van de beslissing in hoger beroep en de volledige afwijzing van het beroep door verzoekster tegen de beslissing van het Hof Landge-.
1. Het Hof van beroep ten onrechte, dat de eiser tegen de verweerder als gevolg van de stroperij van twee medewerkers onder § 339 Zin 2 BGB in verbinding met § 12 Zin 1 het samenwerkingsakkoord van de par-partijen is gerechtigd de betaling van contractuele boetes. Hoewel de afdwingbaarheid van de vordering wegens schending van de partijen ver-overeengekomen relatiebeding voldoet aan § 75f set 2 HGB niet a priori gekant, omdat de toepassing uitnodiging bepaling per se op (Sectie II 2) in de huidige constellatie, is de uitvoerbaarheid van de stand-in de toespraak vordering niet in de weg (Sectie II 3). Niettemin kan de Verurtei-ment van de verdachte niet worden aanvaard door het Hof van Beroep; de niet-uitnodiging in kwestie is op een periode van twee jaar na de STOP-
9
10
11
– 6 –
om beweging van de samenwerkingsovereenkomst te beperken en dus niet meer de-vorlie ing stroperij detecteert (Sectie II 4).
2. Echter, niet-uitnodiging vallen over het algemeen in de Anwendungsbe-rijke § 75f van het Duitse Wetboek van Koophandel.
een) Na deze bepaling gedaan of een overeenkomst, door die zich ertoe verbindt een principieel tegen een andere principal, een actie-mates, die is met dit in dienst of geweest, te maken of alleen onder bepaalde voorwaarden tus-, geen actie neemt. Het ontbreken van een rechter-Liche afdwingbaarheid ontdekt die ook verondersteld het hof is de contractuele boetes, het waarborgen van een op grond van § 75f HGB fall-overeenkomst dienen (VGL. BGH, Arrest van 13. Oktober 1972 I ZR 88/71, BB 1973, 427; Arrest van 30. April 1974 VI ZR 153/72, NJW 1974, 1282). Op-de-regel is niet alleen van toepassing op associatieovereenkomsten, maar ook op een overeenkomst tussen individuele werkgevers (VGL. BGH, BB 1973, 427), zoals het staat op dit moment aan de orde.
Zonder belang voor de toepasselijkheid van § 75f HGB is verder, of de twee medewerkers van de aanvrager griffiers overeenkomstig § 59 HGB zijn. Volgens de jurisprudentie van het Federale Hof en de Bundesar-beitsgerichts de reikwijdte van § 75f HGB vallen alle werk-broek (VGL. BGH, NJW 1974, 1282, 1283; BAGE 22, 125, 134). Deze jurisprudentie heeft de wetgever in de 1. Januari 2003 in werking stellen van § ingevoerd 110 Zin 2 Industrial Code gereconstrueerd.
b) Echter controversieel is de vraag, of § 75f HGB niet alleen de Klag-heid van het instellen van verboden, maar ook van de overeenkomsten tussen
12
13
14
15
– 7 –
Uitsluit ondernemers, Geen werknemers van de aannemer abzuwer-ben.
aa) Volgens een uitzicht HGB § 75f mislukte niet alleen overeengekomen tussen werk-encoders instellen van verboden, maar over het algemeen goed Abwerbever bood de afdwingbaarheid (Wedemeyer in feestbundel Traub, 1994, S. 437, 446; Rieble, Arbeidsmarkt en de concurrentie, 1996, Rn. 1041; Slotenmaker, BB 2003, 1382, 1383; Schlegelberger / Schröder, HGB, 5. Ed, § 75f Rn. 2 een; Küttner / roller, Personalhandbuch, 20. Ed, Trefwoord stroperij Rn. 11; Köhler in Köhler / Bornkamm, UWG, 32. Ed, § 4 Rn. 10.103).
bb) Volgens een andere mening verzoek valt niet binnen de reikwijdte van § Een-75f set vallen 1 HGB, als ze te verbieden alleen het verzoek gericht is op initiatief van de werkgever (Bauer / Diller in herdenkingsmunt helm, 2002, S. 3, 6 f.; Salger / Breitfeld, BB 2004, 2574, 2578; Wolf, NZG 2004, 366, 367 f.; Hurek, Abwerbungs- en het instellen van een verbod op de arbeidsmarkt, 2005, S. 111; Werder / voedsel, BB 2010, 2903, 2910; Heymann / Henssler, HGB, 2. Ed, § 75f Rn. 4; Weber in Großkomm.HGB, 5. Ed, § 75f Rn. 3, 6; Boecken in Ebenroth/Boujong/Joost/Strohn, HGB, 3. Ed, § 75f Rn. 9; MünchKomm.HGB / von Hoyningen-Huene, 3. Ed, § 75f Rn. 5; Diller in Henssler / Willemsen / Kalb, Arbeid, 5. Ed, § 75f HGB Rn. 5; Thiemann-Marggraf in Oetker, HGB, 3. Ed, § 75f Rn. 2; Hagen in BeckOK HGB, § 75f Rn. 6 (Staan 1. December 2013); Oetker in Erfurter Kommentar zum Arbeitsrecht, 14. Ed, § 75f HGB Rn. 1).
cc) Volgens een andere uitnodiging tot het doen met Vertragsstra-fen uitzicht moet uitvoerbaar zijn in bepaalde gevallen. Dit geldt dan, indien de overeenkomst betrekking heeft op zaken, wanneer een schending van regelgeving
16
17
18
– 8 –
presenteren de wet tegen oneerlijke concurrentie, over door een VN-aannemer door een concurrent stroperij van medewerkers gericht in Sin-ne van § 4 Nee.. 10 UWG met een handicap (VGL. naar § 1 UWG VAn Eggert, Lock overeenkomsten tussen werkgevers, 2001, S. 78 ff.) of waar Un-Individuele ondernemers die betrokken zijn tussen een bijzondere vertrouwensrelatie (Weiland, BB 1976, 1179, 1180; Wagner in riet / von Westphalen / Haas, HGB, 4. Ed, § 75f Rn. 7).
c) Het Federale Hof de vraag, of § 75f HGB om contractuele relatiebeding tussen werkgevers van toepassing, nog un-pensioen. Integendeel ook niet duidelijk uit de uitspraak van het Federale Hooggerechtshof van Justitie of- 30. April 1974 VI ZR 132/72 (NJW 1974, 1330). Deze de-Sion was niet een relatiebeding, maar het instellen van een verbod is.
d) Volgens de tekst, de geschiedenis en de betekenis en het doel van de norm binnen de werkingssfeer van § 75f HGB overeengekomen tussen bedrijven uitnodiging in principe.
aa) Voor deze, ten eerste, de formulering van de norm. Een contractuele relatiebeding kan gemakkelijk worden opgevat als instemming, stel een werk-aannemer van de aannemer in de zin van § 75f HGB alleen onder bepaalde voorwaarden.
Onder een uitnodiging tot het doen van de medewerkers is de actie op een contract van de werknemers arbeid met als doel de, om deze te verplaatsen naar de werkplek veranderen, begrepen (Slotenmaker, BB 2003, 1382). Het kan zo-haar alleen gesproken door een stroperij van werknemers, indien de abgeworbene werknemer eindigt zijn vorige baan
19
20
21
22
– 9 –
en wordt ingehuurd door een nieuwe werkgever. Onder § 75f HGB na deze een clausule, volgens het bedrijf verbinden zich ertoe wederzijds, alleen werk-broek aan te passen, die op zich aan potentiële werkgevers ge-toegepaste. Het ding wordt na het onderhavige geval te worden beoordeeld Abwerbever-bot anders. Vanuit de concrete formulering vaardigheid van-contract te sluiten bedrijf, maar kan niet afhankelijk zijn van de omvang van § 75f HGB.
bb) De ontstaansgeschiedenis van § 75f HGB en het streven naar het creëren van deze norm legis spreken voor hun toepassing op niet-uitnodiging (VGL. de genesis BGH, BB 1973, 427, 428; Eggert, Lock overeenkomsten tussen werkgevers ibid S. 27-31; Ramrath, Festgabe Sandrock, 1995, S. 255, 269 f.).
(1) Cruciaal voor het begrip van de norm is de co-op te hangen met de regulering van de overeenkomst niet-competitie voor de hand-long mates in §§ 74 bis 75d HGB. Hoewel al het §§ zag 74 en 75 Wetboek van Koophandel, zoals gewijzigd bij de wet van 10. Meer 1897 voor, dass nachvertragli-che Wettbewerbsverbote unwirksam sind, waar dergelijke griffiers in hun professionele vooruitgang onredelijke wijze wordt beperkt (RGBl. 1897, S. 235). De-se regels toegestaan ​​de opdrachtgevers echter, ohne Risiken weit ge-fasste nachvertragliche Wettbewerbsverbote zu vereinbaren. Daarom verenigingen van winkelpersoneel uitgenodigd door de Reichstag een herziening van de wet van de non-concurrentiebedingen. Dit leidde tot een wetsontwerp, van een substantiële wijziging in het oude systeem in het beginsel van be-betaalde zwangerschapsverlof. De mogelijkheid van afspraken tussen werkgevers blokkeren, maar werd aanvankelijk niet opgenomen in het wetsvoorstel. Omdat het zou zijn opgelegd voor opdrachtgevers, de toekomst voor de post-contractuele Bet-
23
24
– 10 –
om de concurrentie verbodsbepalingen compensatieverplichting voorkomen door afspraken te blokkeren, stemmen zijn gerezen, om ons aan de regels van het blokkeren van overeenkomsten (VGL. dit rapport de 12. Commissie over een ontwerp van wet tot wijziging van de §§ 74, 75 en § 76 Abs. 1 van de Commercial-Buchs, RT-Drucks. 1914, Bijlage bij het stenografisch verslag band 303 Nee.. 1387, S. 2803, 2847 ff.). Dit leidde tot de invoering van de regeling van § 75f Wetboek van Koophandel door de wet van 10. Juni 1914 (RGBl. 1914, S. 209), die inderdaad werd aangepast redactioneel artikel in de fol-tij, inhoud, maar ongewijzigd van toepassing blijven tot op de dag.
Door §§ 74 ff. HGB om de belangen van de werknemer te zijn-nem professionele vooruitgang na het einde van de arbeidsverhouding tegen het belang van de ondernemer, sich durch Wettbewerbsverbote vor einer Abwanderung seines Personals zu Konkurrenzunternehmen zu schüt-zen, algemeen voorrang (BGH, NJW 1974, 1282). De werkgever, wil de migratie van haar medewerkers te voorkomen, moet het met hen eens een verbod concurrentie en het betalen van een wachtuitkering. Een obstructie van de uitstroom van medewerkers, zonder schadeloosstelling-tion betalingen aan de slachtoffers van werkgever afspraken moeten worden voorkomen vergeleken demge-. De werknemer moet worden toegestaan ​​om zijn of haar werk, omdat-free Daarnaast kiezen. In deze context, § 75f HGB komt de functie, ontwijking van deze doelstelling te voorkomen. De wettelijk gestandaardiseerde niet-bindende overeenkomst is een barrière, zodat de realisatie van de aard van. 12 Abs. 1 GG beschermde het individuele recht van professionele zelfbeschikking (BGH, NJW 1974, 1282, 1283; BGH, Arrest van 27. September 1983 VI ZR 294/81, BGHZ 88, 260, 265).
25
– 11 –
(2) Dieser durch § 75f HGB bezweckte Schutz des Arbeitnehmers wird auch durch die Vereinbarung eines Abwerbeverbots zwischen Unternehmern im Allgemeinen in einem Ausmaß beeinträchtigt, dass es gerechtfertigt ist, eine derartige Vereinbarung dem Anwendungsbereich des § 75f HGB zu unterstel-len.
Dem kann nicht mit Erfolg entgegengehalten werden, die Vereinbarung des Verbots von aktiven Abwerbemaßnahmen eines Unternehmers hinderten einen Arbeitnehmer nicht daran, sich aus eigenem Antrieb auf eine derartige Stelle zu bewerben und seinen Arbeitsplatz zu wechseln (so aber Bauer/Diller in Festschrift Helm aaO S. 3, 6 f.; Wolf, NZG 2004, 366, 368; Salger / Breitfeld, BB 2004, 2574, 2578; Hurek, Abwerbungs- und Einstellungsverbote im Arbeits-vertrag aaO S. 111; Sahavi, Die Wirksamkeit nachvertraglicher Wettbewerbs-beschränkungen im englischen und deutschen Recht, 2005, S. 157; Diller in Henssler/Willemsen/Kalb aaO § 75f HGB Rn. 5).
Neben der Möglichkeit eines Arbeitnehmers, sich aus eigenem Antrieb auf eine freie Stelle zu bewerben, gehört es zur gängigen Praxis von Unter-nehmern bei der Besetzung offener Stellen, Arbeitnehmer von sich aus oder unter Einschaltung von Personalberatern auf Stellenangebote anzusprechen (VGL. BGH, Arrest van 4. Maart 2004 I ZR 221/01, BGHZ 158, 174 Direktan-sprache am Arbeitsplatz I; Arrest van 9. Februari 2006 I ZR 73/02, Tarwe 2006, 426 = WRP 2006, 577 Direktansprache am Arbeitsplatz II, Besluit van 13. December 2007 I ZR 137/07, juris; Ernst, Tarwe 2010, 963). Eine solche Abwerbung fremder Mitarbeiter ist grundsätzlich erlaubt. Arbeitgeber haben keinen Anspruch darauf, dass der Bestand ihrer Mitarbeiter vor Konkur-renz geschützt wird. Als Folge des freien Wettbewerbs müssen es Arbeitgeber
26
27
28
– 12 –
hinnehmen, dass Mitarbeiter abgeworben werden. Hierzu kann auch eine erste Kontaktaufnahme am Arbeitsplatz des Mitarbeiters zulässig sein. Das trägt dem Umstand Rechnung, dass ein Mitarbeiter ein Interesse daran hat, von Möglich-keiten zu erfahren, wie er seine berufliche Situation durch einen Arbeitsplatz-wechsel verbessern oder verändern kann. Seine Freiheit, über sein berufliches Fortkommen nach dem Ende des Arbeitsverhältnisses selbst zu bestimmen, vor allem den Arbeitsplatz frei zu wählen, wird durch Art. 12 Abs. 1 GG geschützt (VGL. BVerfGE 97, 169, 175).
Ein einfaches und wichtiges Informationsmittel dazu ist die für den Ar-beitnehmer bestehende Chance, von einem möglichen neuen Arbeitgeber oder in dessen Auftrag durch einen Personalberater angesprochen werden zu kön-nen (VGL. BGHZ 158, 174, 182 Direktansprache am Arbeitsplatz I). Ein Arbeit-nehmer, der bei einem Arbeitgeber beschäftigt ist, der mit anderen Unterneh-men ein Abwerbeverbot vereinbart hat, verliert die Möglichkeit, von dem konkre-ten Anstellungsinteresse eines dieser anderen Unternehmen Kenntnis zu erlan-gen und sich durch eine gezielte Ansprache eines interessierten Arbeitgebers beruflich zu verbessern, ohne dass der Arbeitnehmer hierfür eine Entschädi-gung erhält. Das widerspricht dem Zweck des § 75f HGB.
3. Allerdings gibt es besondere Fallkonstellationen, in denen ein die Be-lange der betroffenen Arbeitnehmer überwiegendes Interesse der Arbeitgeber-seite an einer gerichtlichen Durchsetzbarkeit des Abwerbeverbots besteht. Auch der Unternehmer als Arbeitgeber hat ein durch Art. 2 Abs. 1, Kunst. 12 Abs. 1 GG geschütztes Recht auf wirtschaftliche Betätigungsfreiheit. Das schließt das Recht des Unternehmers ein, in seinem Markterfolg nicht unver-hältnismäßig eingeschränkt oder behindert zu werden (VGL. BVerfGE 97, 228, 253; Grondwettelijk Hof, NJWRR 2004, 1710, 1711). Insofern ist § 75f HGB verfassungs-
29
30
– 13 –
konform einschränkend auszulegen. In bestimmten Fällen sind Abwerbeverbote von dem nach dem Wortlaut weiten Anwendungsbereich des § 75f HGB daher auszunehmen und als einklagbar zu behandeln.
een) Dies gilt zunächst für alle die Fälle, in denen das Verhalten des ab-werbenden Arbeitgebers eine unlautere geschäftliche Handlung darstellt, deren Verbot nach den Vorschriften des UWG beansprucht werden kann. Gibt in ei-nem derartigen Fall der Verpflichtete eine strafbewehrte Unterlassungserklä-rung ab, würde es zu widersprüchlichen Ergebnissen führen, wenn der aus ei-nem derartigen Vertragsstrafeversprechen Berechtigte Ansprüche hieraus we-gen § 75f Satz 2 HGB gerichtlich nicht durchsetzen könnte.
b) Nicht in den Anwendungsbereich des § 75f HGB fallen außerdem sol-che Vereinbarungen, bei denen das Abwerbeverbot nicht Hauptzweck ist, son-dern bei denen es nur eine Nebenbestimmung darstellt, die einem besonderen Vertrauensverhältnis der Parteien oder einer besonderen Schutzbedürftigkeit einer der beiden vertragschließenden Seiten Rechnung trägt. Dient ein Abwer-beverbot dem Schutz vor illoyaler Ausnutzung von Erkenntnissen, die im Rah-men solcher Vertragsverhältnisse und ihrer Abwicklung gewonnen worden sind, besteht kein Grund, die gerichtliche Durchsetzbarkeit zu versagen.
Zu dieser Fallgruppe gehören etwa Abwerbeverbote, die bei Risikoprü-fungen vor dem Kauf von Unternehmen oder Unternehmensbeteiligungen ver-einbart werden (onderstroom. Due-Diligence-Prüfungen) und die vom Anwendungsbe-reich des § 75f HGB auszunehmen sind. Eine vergleichbare Situation kann bei einer Abspaltung von Unternehmensteilen oder Konzerngesellschaften oder bei Vertriebsvereinbarungen zwischen selbständigen Unternehmen bestehen. Auch in diesen Fallkonstellationen kann die gerichtliche Durchsetzbarkeit von Abwer-
31
32
33
– 14 –
beverboten für eine reibungslose Vertragsabwicklung notwendig und eine ein-schränkende Auslegung des § 75f HGB geboten sein.
c) Damit stünde § 75f HGB der Durchsetzbarkeit der hier in Rede ste-henden Vereinbarung nicht von vornherein entgegen, weil die Feststellungen des Berufungsgerichts die Annahme rechtfertigen, dass zwischen den Parteien ein besonderes Vertrauensverhältnis im vorstehenden Sinne bestanden hat. Auch nach Herauslösung der Beklagten aus der Firmengruppe der Klägerin vertrieben die Parteien ihre Produkte auf der Grundlage des Kooperationsver-trags zunächst gemeinsam, so dass beide Seiten die Einzelheiten des Mitarbei-terstamms des jeweils anderen Unternehmens kannten.
4. Die Abwerbung der zwei Mitarbeiter der Klägerin, die im Jahr 2009 er-folgt sein soll, fällt indes nicht mehr in den Zeitraum, für den ein Abwerbeverbot vorliegend längstens zulässig ist. Die Parteien haben sich zwar in § 12 Abs. 1 des Kooperationsvertrags verpflichtet, bis drei Jahre nach Beendigung der ver-traglichen Zusammenarbeit keine Mitarbeiter des Vertragspartners abzuwerben. Ein solches Abwerbeverbot überschreitet aber den für derartige Abreden zuläs-sigen Zeitraum, der grundsätzlich zwei Jahre nach Beendigung der Zusam-menarbeit nicht übersteigen darf.
een) Ein trotz der Regelung des § 75f HGB gerichtlich durchsetzbares Ab-werbeverbot kann die Mitarbeiter in ihrem beruflichen Fortkommen behindern. Eine solche Abrede findet ihre Rechtfertigung in dem besonderen Interesse der Vertragspartner, sich vor einer vertragswidrigen Ausnutzung der den Ge-schäftsbetrieb der anderen Partei betreffenden, aus der Vertragsbeziehung re-sultierenden Kenntnisse zu schützen. Dieses Interesse besteht auch über das
34
35
36
– 15 –
Ende der Vertragsbeziehung hinaus, wird jedoch typischerweise mit zunehmen-dem Zeitablauf schwächer.
b) In der Rechtsprechung des Bundesgerichtshofs ist für vergleichbare Konstellationen anerkannt, dass ein Wettbewerbsverbot nicht länger als zwei Jahre nach Vertragsende wirksam sein kann.
So verstößt ein über zwei Jahre hinausgehendes nachvertragliches Wett-bewerbsverbot für einen aus einer Sozietät von Angehörigen freier Berufe aus-geschiedenen Gesellschafter in zeitlicher Hinsicht gegen § 138 BGB, weil sich nach einem Zeitraum von zwei Jahren die während der Zugehörigkeit zur Ge-sellschaft geknüpften Mandantenverbindungen typischerweise so gelöst haben, dass der ausgeschiedene Gesellschafter wie jeder andere Wettbewerber be-handelt werden kann (BGH, Arrest van 8. Meer 2000 II ZR 308/98, NJW 2000, 2584, 2585; Arrest van 29. September 2003 II ZR 59/02, NJW 2004, 66; Arrest van 18. Juli 2005 II ZR 159/03, NJW 2005, 3061, 3062). Die Frist von zwei Jahren ist auch für Wettbewerbsverbote in Form von Mandantenschutzklauseln als zeitliche Grenze anzusehen (VGL. BGH, Arrest van 29. Januari 1996 II ZR 286/94, NJWRR 1996, 741, 742).
c) Für eine zeitliche Begrenzung der Durchsetzbarkeit von Abwerbever-boten auf maximal zwei Jahre sprechen auch die gesetzlichen Regelungen in § 74a Abs. 1 Zin 3 HGB und § 90a Abs. 1 Zin 2 HGB. Diese Vorschriften versagen einem zwischen einem Unternehmer und einem Handlungsgehilfen oder Handelsvertreter vereinbarten nachvertraglichen Wettbewerbsverbot die Wirksamkeit, das über einen Zeitraum von zwei Jahren nach Beendigung des jeweiligen Vertragsverhältnisses hinausgeht. Sie bringen die gesetzgeberische Wertung zum Ausdruck, dass die in einem Wettbewerbsverbot liegende Ein-
37
38
39
– 16 –
schränkung der Berufsfreiheit der hierdurch gebundenen Arbeitnehmer längs-tens für einen solchen Zeitraum gerechtfertigt ist. Gleiches muss auch für Ver-einbarungen zwischen Arbeitgebern in Form von Abwerbeverboten gelten, die für die hiervon betroffenen Arbeitnehmer vergleichbare Auswirkungen haben können.
d) Ob in Ausnahmefällen ein schutzwürdiges Interesse eines Unterneh-mers an einem länger als zwei Jahre andauernden Abwerbeverbot bestehen kann, braucht nicht entschieden zu werden. Vorliegend ist ein solcher Ausnah-mefall jedenfalls nicht gegeben. Er folgt auch nicht daraus, dass sich die Kläge-rin ebenfalls einer gleichen Beschränkung zugunsten der Beklagten unterwor-fen hat. Nach einem Zeitablauf von zwei Jahren nach Ende der vertraglichen Zusammenarbeit kann hier keine Seite mehr ein berechtigtes Interesse an einer fortdauernden Beschränkung der Abwerbemöglichkeiten haben (VGL. BGH, NJWRR 1996, 741, 742).
Die in Streit stehenden Abwerbungen sollen 2009 erfolgt sein, mithin im dritten Jahr nach dem Wirksamwerden der Kündigung des Kooperationsver-trags der Parteien durch die Beklagte zum 31. December 2006. In een permissi-lijk maximale duur van de niet-werving van twee jaar, de verdachte was in 2009 niet langer verplicht om zich te onthouden van stroperij. Ze heeft verbeurd die reden ook niet beweerd in de actie contract straffen.
40
41
– 17 –
III. De kosten zijn gebaseerd op § 91 Abs. 1, § 97 Abs. 1 ZPO.

Gelieve Beoordeel

One thought on “Niet alleen het instellen van verboden, sondern Abwerbeverbote, juridisch afdwingbare afspraken barrière in de zin van § 75f HGB”

Reacties zijn gesloten.